8 juni Vattarnes, Seydisförður, Hafnarhólma
8 juni 2026 - Fáskrúðsfjörður, IJsland
Het weerbericht zegt: regen. De zon zegt: mooi niet, op een beetje nattigheid na.
Wat een mazzel hebben wij vandaag!
De oude weg tussen de plaatsen Reyðarfjörður en Fáskrúðsfjörður is de kustweg van het schiereiland Vattarnes en ligt heerlijk in het zonnetje. En da’s maar goed ook, want in de regen met slecht zicht is het rijden langs kliffen zonder vangrail niet echt een lolletje. Blij dus dat we gisteren deze weg letterlijk links hebben laten liggen. Er hangen nog wel grijze wolken waar zo nu en dan een spat uitvalt, het water is zilvergrijs en het waait behoorlijk. Zo’n 20 tot 45 kilometer per uur.
De weg begint met asfalt, maar al snel staat er een bordje malbik endar. Geen probleem, we weten inmiddels hoe het werkt. Wat wel grappig is, is dat er soms ineens een stukje asfalt tussen het gravel ligt 😊.
Er is zelfs nog een klein dorpje, Kolfreyjustaður, waarvan het kerkje al sinds 1878 bestaat. Het dorp is genoemd naar de troll Kolfreyja, en haar collegatrol is de naamgever van het eiland Skrúður vlak voor de kust, en dat is niet meer dan een enorme rots. Daar draaien we van het Fáskrúðsfjörður naar het Reyðarfjörður, de langste fjord van IJsland. In beide fjorden zien we bassins voor de zalmkweek. Deze worden steeds meer als omstreden beschouwd door de vervuiling van de fjorden en de ziektes die uitbreken. Op IJsland wordt nu vooral ingezet op zalm die in bassins op het land gekweekt wordt.
Deze weg is dus lang de enige route geweest om in Fáskrúðsfjörður te komen, nu ligt er een zes kilometer lange tunnel waardoor de route naar het hotel geen 51 maar 21 kilometer is. En bij slecht zicht is het een stuk veiliger. Ze zijn hier overigens wel heel hard bezig om de vorstschade weg te werken door de gaten weer te vullen. Dat is ook het enige wat we tegenkomen in 30 kilometer, een shovel.
Dan touren we verder naar Seydisförður. Om daar te komen rijden we over de Stafdalurvlakte en de Fjardarheiði bergpas, op ruim 600 meter hoogte. Best kkkoud daar. En er ligt nog heel veel sneeuw; nu nog zeker vier meter. Seydisförður is een levendig visserplaatsje met een wereldberoemd lichtblauw kerkje, de Seyðisfjarðarkirkja. Die net als veel huizen hier aan de buitenkant bekleed is met golfplaat. En ook hier doen ze aan horizonvervuiling. Er ligt een, gelukkig niet zo heel groot, cruiseschip in de haven. Een helikopter vliegt af en aan om de toeristen een rondje oost IJsland te laten zien. Vanaf hier varen ook de veerdiensten naar Scandinavië. Naast de haven liggen drie zeehonden lekker te zonnen op een paar uitstekende rotsen.
Er is maar een weg naar Seydisförður, dus rijden we dezelfde weg weer terug langs de Gufufoss, tot de afslag naar Borgarfjörður Eystri. We doorkruisen een enorme laagvlakte met twee rivieren, de brede grijsblauwe Lagarfjót en de kunstig meanderende Selfjót. Ze worden gevoed door getrapte stroompjes die van de bergen af komen. We zien hele kuddes zwanen, kwikstaartjes, IJslandse paarden, veel bomen, paardenbloemen, lupines en narcissen. En dan moeten we ook weer over een bergpas, nu slechts 400 meter hoog. Op deze pas is toegang naar het skigebied Stafdalur met, jawel, twee piepkleine sleepliften. We rijden door tot we niet verder kunnen en zetten de auto neer bij Hafnarhólma. Deze plek, bij de haven, is een perfecte plek om vogels te kijken. Het heeft de meest toegankelijke puffinkolonie van IJsland met zo’n 10.000 tot 20.000 vogels. Behalve puffins, drieteenmeeuwen, stormvogels en eidereenden, deze laatste hebben er een beschermd broedgebied, zijn er nog veel meer vogels. Maar wij komen natuurlijk voor de puffin. De lokale bevolking beschermt de vogels al tientallen jaren en heeft trappen tegen de berg gebouwd, zodat je naar de puffins kunt kijken zonder ze te storen. We zijn niet de enigen, maar dat mag de pret niet drukken. Iedereen houdt uit respect voor alle vogels zijn mond en geniet in stilte.
Puffins, papegaaiduikers, zijn fascinerende vogels en worden ook wel clownvogel genoemd. Ze zijn 28-34 cm groot, hebben een vleugelspanwijdte van 50-60 cm en wegen gemiddeld een pond. Met hun grote snavel die in het broedseizoen de felle kleuren, geel, rood en blauwgrijs heeft, lokken ze een partner. In de winter zijn de snavels kleiner en grijs van kleur. De snavel wordt ook gebruikt om hun temperatuur te regelen. Puffins hebben vrij korte vleugels en kunnen goed zwemmen. Ook kunnen ze wel 88 kilometer per uur vliegen en tot wel 60 meter diep duiken. Als ze vliegen doen ze dat met een snelle vleugelslag, zo’n 100 slagen per minuut, en ze vliegen vrij laag boven het water. Deze vogeltjes leven alleen op het noordelijk halfrond aan de kusten in koude gebieden, en jagen op open zee op vis, kreeftjes, wormen en schaaldieren. Als ze sterven, zinken ze. Deze schoonheden zijn monogaam en tijdens de paartijd tussen april en juni komen de mannetjes en vrouwtjes weer samen na de winter eenzaam op zee te hebben doorgebracht. Door met hun snavels tegen elkaar aan te tikken, versterken ze hun band. Broeden gebeurt bij voorkeur in kleinere tot hele grote kolonies op hellingen met uitzicht op open zee, wie wil dat nou niet… Op Ísland leeft de grootste kolonie puffins van Europa.
Ze graven holen om in te nestelen in de zachte met gras begroeide aarde bovenop hoge kliffen en rotsachtige eilanden langs de kust. De nestgangen kunnen wel twee meter lang zijn. In het kuiltje aan het einde van de gang leggen ze in plantmateriaal en veren meestal één ei, heel soms twee. Na ongeveer zes weken broeden door vooral het vrouwtje, komen de eieren uit. Pa en ma halen soms op grote afstand kleine visjes. Handig zo’n grote snavel: daar passen veul vissies in.
Als de ouders op jacht zijn kan het kuiken, de puffling, op avontuur gaan. Niet zelden vallen ze dan ten prooi aan mantelmeeuwen en andere jagers. Omdat de puffins worden geringd, weten we dat er in ieder geval een exemplaar 41 jaar oud geworden is.
Zodra de kuikens zelfstandig kunnen leven, vertrekken ze naar volle zee. Daar blijven ze twee tot drie jaar. Pas na vier of vijf jaar zijn ze geslachtsrijp. In de winter trekken ze tot de hoogte van de Middellandse Zee om te overwinteren.
En dan nog even dit: je bevuilt je eigen leefomgeving niet, dus je draait je achterste ‘van de bult af’ en schiet…
Een heel verhaal…
En dan rijden we het hele stuk weer terug. In het begin van de rit onder een lekker warm zonnetje, maar gaandeweg betrekt het en moet de ruitenwisser weer wat werk verrichten. We hebben geen zin om uit eten te gaan, dus we halen een stokbroodje, lekker beleg en twee bakkies Skyr in de supermarkt.


Dank voor zoveel info